Het zit in hun bloed

–  HOE STIGMATISATIE VAN HOMOSEKSUELEN AANWEZIG BLIJFT IN HET DEBAT OVER BLOEDDONATIE –

          Er is al jarenlang een debat aan de gang over de exclusiecriteria voor bloeddonatie bij het Rode Kruis: is het verantwoord om mannen die (ooit) seks hebben (gehad) met andere mannen bloed te laten geven, wetende dat er een hoger risico is op HIV-besmetting? Het Belgische Rode Kruis vindt alvast van niet, en werd hier tot nu toe door de regering in gesteund. Toch vecht Minister van Volksgezondheid Laurette Onkelinx (SP.A) dit nu aan en wil zij die uitsluiting opheffen. Verschillende mensen vragen mij naar mijn mening hierover, en ik vond het een goede gelegenheid om mijn bedenkingen eens op een rijtje te zetten. Ik ben van mening dat het wel degelijk onverantwoord is om die groep uit te sluiten wegens HIV-risico, zowel om statistisch-wetenschappelijke als om morele redenen. Ik denk niet dat het Rode Kruis dat exclusiecriterium hanteert vanuit expliciet homofobe overtuigingen. Zij hebben het dan ook over MSM (mannen die seks hebben met mannen) eerder dan over een seksuele geaardheid, een belangrijk verschil dat genegeerd wordt in vele emotionele opiniestukken en mediaverslagen. Toch ben ik van mening dat zij (mogelijk onbewust) handelen binnen een denkkader dat stigmatiserend is naar homoseksuelen toe, een kader waar zij deel van uitmaken en actief aan bijdragen.

           Om te beginnen wil ik ingaan op het prevalentiecijfer dat de ronde doet in de media. Vijf procent, oftewel 1/20, van de homoseksuelen zou besmet zijn met HIV. Er wordt echter nooit verwezen naar het onderzoek waar dat cijfer op gebaseerd is en dat was ook niet zomaar te vinden. Want hoe ondervraag je dat? Hoe bepaal je zo’n prevalentie? De gegevens blijken te komen uit een onderzoek van Vanden Berghe (2011). De steekproef die hij gebruikte voor zijn onderzoek waren 649 mannen die hij vond in holebicafés (219), homoclubs (219) en homoseksclubs (167) in Gent en Antwerpen. Daarnaast was een van de deelnamevoorwaarden dat de participant in het laatste jaar minstens eenmaal seksueel contact had gehad met een andere man. Dat die groep mannen, gevonden in een milieu dat vaak expliciet gericht is op losse seksuele contacten, als representatief gezien wordt voor de homoseksueel is ronduit belachelijk.
Ik probeer hiermee absoluut niet te ontkrachten dat de prevalentie van HIV-besmettingen onder homoseksuele mannen opvallend verhoogd is. Het is echter een duidelijke illustratie van de zelfbevestigende kracht van een vooroordeel. Het idee van
de homoseksueel wordt gelinkt aan losse en onveilige seksuele contacten. Om na te gaan wat er klopt van dat cliché, onderzoekt men die groep op basis van het al aanwezige idee over die groep en gaat men de homoseksueel zoeken in het uitgaans- en het seksmilieu. Het idee over een homoseksuele man wordt enorm gereduceerd in de richting van een stereotype. Nadien wordt hier dan jarenlang veralgemenend over gerapporteerd in de media, zonder enig bewustzijn van de initiële reductie en zonder enige vorm van referentie. Hier maakt zelfs seksuele gezondheidsorganisatie Sensoa zich schuldig aan.
Ik benadruk opnieuw dat ik de hoge prevalentie van HIV-besmetting onder homoseksuelen niet wil negeren (hoewel die duidelijk overschat wordt) maar probeer te laten zien hoe zowel onderzoek als media verre van vrij zijn van stigmatisatie. Die stigmatisatie is zowel zelfbevestigend voor de buitenstaander, die zich telkens gesterkt voelt in zijn perceptie, als dat het in de realiteit een marginalisatie bewerkstelligt of onderhoudt.

           Ik vind dat stigma eveneens terug in de bevraging van het Rode Kruis. Dat MSM statistisch gezien veel meer kans hebben op HIV-infectie betekent niet automatisch dat dat een verantwoord criterium is. Het gaat hier om het verschil tussen predictieve validiteit en conceptuele validiteit en de nood aan beiden. Ik illustreer met een voorbeeld: Een aantal decennia terug, toen homoseksualiteit reeds uit de diagnostiek van de psychopathologie was geschrapt, werd vastgesteld dat homoseksualiteit toch een sterke correlatie vertoonde met depressie en suïcidaliteit. Daarom werd op diagnostische vragenlijsten ook naar seksuele oriëntatie gevraagd. Zo wonnen de testen namelijk aan predictieve validiteit, hun voorspellende waarde nam toe. Het was meer waarschijnlijk voor een homoseksueel om depressief te zijn, en dus te worden opgenomen in een instelling of medicatie te worden voorgeschreven. Statistisch gezien, leek dat te verantwoorden. Maar dat had ook als gevolg dat elke homoseksueel, op basis van zijn geaardheid, a priori beoordeeld werd als depressiever of suïcidaler dan een heteroseksueel. Is dat dan te verantwoorden?
Uiteraard niet. Zowel wetenschappelijk als moreel gezien klopt hier iets niet aan. Het zorgde voor een secundaire pathologisering van homoseksuelen. De geaardheid zelf werd zogezegd niet meer gezien als iets ziek, maar wel gelinkt aan andere pathologische beelden zonder enige vorm van
conceptuele validiteit. Die kwam gelukkig meer aan bod in latere ontwikkelingen binnen de testdiagnostiek. Dat houdt in dat de bevraagde items niet enkel een voorspellende waarde moeten hebben maar ook direct conceptueel moeten kunnen gelinkt worden aan de te onderzoeken variabelen. Dat voorkomt enerzijds stigmatisering en zorgt anderzijds voor een nuancering, een uitdieping van items, die hierdoor uiteindelijk ook aan predictieve validiteit winnen. Dat psychiaters en psychologen er in die tijd eerst wél voor kozen om het item ‘seksuele geaardheid’ op te nemen in vragenlijsten is omdat zij, mogelijk ongewild, deel uitmaakten van een stigmatiserend tijdskader. Zaken die waarschijnlijk relevanter waren, zoals zich goed voelen bij zijn of haar seksualiteit, hechting, sociaal draagvlak, werden niet gekozen als item. Hoewel die zaken, die onderliggende factoren, een genuanceerder beeld zouden hebben kunnen bieden, koos men voor het bevragen van seksuele geaardheid, omdat er in hun denken onbewust een valse conceptuele link aanwezig was tussen homoseksualiteit en psychopathologie. Door aan die testing ook reële gevolgen te verbinden (zoals opname in instelling, medicatie…) wordt die variabele nog verder geproblematiseerd, gestigmatiseerd.
De methode van statistiek zelf mag dan misschien wel waardevrij zijn, maar bij elke toepassing moeten er tal van keuzes gemaakt worden. En daar is het ideeëngoed van de toepasser altijd aanwezig. Zo wint een IQ-test ook aan ‘betrouwbaarheid’ als je de huidskleur van de geteste bevraagd. Want zwarten scoren immers gemiddeld lager dan blanken. Dat betekent niet dat dat verantwoord is.

          Dat is mijns inziens wat er momenteel gebeurt bij het Rode Kruis. Hun argument is de predictieve validiteit, zonder dat zij daarbij risicogedrag genuanceerder proberen te bevragen en te komen tot informatie die direct relevant is, bijvoorbeeld het type seksueel contact (anaal, oraal…), hoe wisselend die contacten zijn en of het veilig gebeurde. Zelfs homoseksuelen in een jarenlange monogame relatie die zich hebben laten testen op HIV zijn voor het Rode Kruis niet geschikt als donor. Dat er dan toch gekozen wordt om alle mannen die ooit seksueel contact hadden met andere mannen, klopt niet. In die keuze speelt een stigma mee. Dat dit leeft zie ik o.a. bewezen in een vijftienjarige jongen die mij vroeg: “Maar AIDS, komt dat niet van de homo’s?” Dat is het idee dat een kind impliciet meekrijgt. Er is hier sprake van een valse conceptuele link die verder gaat dan homofobie. Ik twijfel er niet aan dat het Rode Kruis die selectie toepast met alle goede bedoelingen en zijn best doet om niet te discrimineren, maar het gaat hier om een blinde vlek. Welke nieuwe items wél de meest predictieve én conceptuele validiteit bieden laat ik over aan experts, maar dat het genuanceerder kan is duidelijk. We kunnen ons voorbeeld zoeken in landen als Zweden en Groot-Brittanië, die er reeds voor gekozen hebben om de uitsluiting op te heffen en concreter risicogedrag te bevragen. Ook de Europese Comissie volgt hierin en raadt dit aan. Gezien de historische trend van destigmatisering en het toenemen van het belang van conceptuele validiteit, valt te voorspellen dat dat in België eveneens zal gebeuren. Voor die verandering heeft Onkelinx mijn stem.

           Een eerlijkere bevraging zal ook ongetwijfeld meer respect krijgen, en dat respect is erg belangrijk. Er zijn momenteel namelijk veel homomannen die het gevoel hebben dat hen onrecht wordt aangedaan en daarom liegen over hun geaardheid op hun formulier opdat zij toch bloed zouden kunnen geven. En waar sta je dan met je vragenlijst? Zorg ervoor dat de exclusiecriteria voor bloeddonatie moreler én wetenschappelijk correcter geformuleerd worden, en snel. Want de nood aan bloed is groot.

Advertisements